Friday, October 31, 2008

TRANSLATION ISSUES

I just got off the phone with my Belgian publisher. Our whirlwind tour of Flanders is starting soon (radio, TV, newspapers, the stage -- my oh my!), and we needed to coordinate. Omega Minor is going into its 8th printing. There's even some indications of a small invasion into Holland. Good news.

I was informed that there also seem to be a few Spanish publishers interested in Omega Minor, but that they are unwilling to bite because of the cost of translation. (I have only a vague idea of what kind of meager money translators make, but it's clear that having an OM-sized book -- 250,000 words -- translated is much more costly than having a more typical 75,000 word novel done. Additionally, selling a 750-page novel is more risky than selling a 250-page one, and the profit margins are slimmer, so you're less likely to recuperate that cost.)

That's why the Flemish government subsidizes translations, you yell.

Bear in mind, though, that the pool of translators from Dutch to XXXX is by necessity small. It's simply harder to find a Dutch-Spanish translator than an English-Spanish translator.

But there is an English translation, you now point out. It's been approved by the author (heck, he did it himself!), and it even won a big-ass award! Yup, my French translator, Claro, is doing it that way. He has done Pynchon and Powers, and beautifully so. What better translator could I wish for? He has an excellent feel for the book; his translation samples for OM are magnificent and dead on. I couldn't be happier.

Turns out that the Flemish government only subsidizes Dutch to XXXX translations. None of that twisted English to XXXX stuff, no matter who translated it, and no matter who the English to XXXX translator is. (I hate to bring this up, but baserate probabilities make one believe that translators from the English, by the sheer law of large numbers, would contain a larger subset of truly excellent professionals than translators from the Dutch. Claro is perhaps the case in point.)

Which reportedly made those Spaniards balk and perhaps run.

Consequence: for the time being, no Omega Minor in Spanish or Catalonian.

Which then brings me to the following interesting point: The Flemish government, in its eagerness to promote Flemish literature, is now, in fact, by forcefully adhering to its own rules supposedly crafted to promote said Flemish literature, torpedoing perhaps quite a few translations of what is fast becoming the most internationally successful and acclaimed Flemish novel of the past (20? 50?) years.

Wow.

I must have misheard this, right? My publisher must be misinformed, no? Pray tell he's just sparing me the humiliation of not being Iberially coveted?

Wednesday, October 29, 2008

EINDELIJK, ZOU IK ZO ZEGGEN

Nu te vinden op de website van Mondiaal nieuws (mo.be): mijn 1-maand oude stukje over de Amerikaanse verkiezingen.
Kan ik mezelf lekker blockquoten:

Amerikaanse presidentsverkiezingen: Eindelijk zou ik zo zeggen

29 oktober 2008 (MO) - Op 4 november is het eindelijk zo ver, dan weten we hoe de Amerikaanse presidentsverkiezingen na een eeuwigdurend voorspel afgesloten worden. Paul Verhaeghen, auteur van Omega Minor en migrant in het land van Obama en McCain, blikt vooruit via zijn achteruitkijkspiegel.

De bankbediende komt breed glimlachend uit het achterafzaaltje.
‘Sorry’, zegt hij, een kruimel taart wegslikkend. ‘We houden een feestje. Wat kan ik voor u doen?’
’t Is een kwartier voor sluitingstijd. Ik kom mijn spaargeld afhalen. In contanten.
‘Meent U dat nu, meneer?’, vraagt hij, terwijl hij geroutineerd op de computerterminal tekeergaat. Hij heeft dit vaker gedaan. ‘U weet dat uw geld verzekerd is door de FDIC?’
‘Ja’, zeg ik. ‘Maar als u over kop gaat, dan zit mijn rekening minstens voor een paar weken geblokkeerd, niet?’
‘Daar hebt u ook weer gelijk in’, zegt de man, geheel en al onbezorgd.
‘That does not inspire confidence’, zeg ik.
‘No it doesn’t’, antwoordt hij.
Mijn spaargeld in briefjes van honderd blijkt een hele hoop papier te zijn; het past amper in de zijzak van mijn cargobroek. Ik loop wat schichtig over de zonovergoten straat.
Thuis gaat de enveloppe netjes in ons brandkoffertje, naast de revolver.
Ze kunnen ze komen halen, als ze willen, onze spaarduiten, maar dan moeten ze wel eerst bij onze kassiers lang, de heren Smith en Wesson.
Welcome to America.

Twee dagen later springt één van de twee overblijvende kandidaten voor het presidentschap op een podium en verklaart: De economie is fundamenteel gezond! En passant noemt zijn economische adviseur ons allemaal een stelletje ondraaglijke zeurpieten.

Twee dagen eerder had de rector van de universiteit waar ik werk ons bij elkaar geroepen. Slecht nieuws. Onze collectieve loonsverhoging die dit jaar sowieso al fors onder de inflatie lag, moest worden uitgesteld. Ik doe een beroep op u allen, zei onze Grote Baas, om de universiteit financieel gezond te houden.

Daar dwarrelt dus mijn koopkracht door de herfstlucht naar beneden; daar ploft zij op de grond.

Drie weken later valt de stad waarin ik woon, Atlanta, plotsklaps zonder benzine. Heeft iets te maken met Orkaan Ike en een politiek bijziende gouverneur. Gevechten in regel wanneer de een of andere chauffeur zijn beurt niet afwacht. Mensen koppig geparkeerd in de lege stations, wachtend op de tankwagen die ooit zal komen. De zeldzame tankwagen die plechtstatig door de straten glijdt, krijgt een eerbiedige bruidssluier van BMW’s en Cadillacs achter zich aan. De krant voorspelt voor de komende week ‘lange rijen, maar geen vuistgevechten; benzine, maar niet de hele dag lang, en niet elke dag’.

In de tussentijd is mijn bank inderdaad kopje-onder gegaan.
Ik wil maar zeggen: mijn tolerantiedrempel voor politieke spelletjes ligt vandaag op Dode Zeeniveau. En dat geldt ook, durf ik wedden, voor het brede Amerikaanse publiek.
Eindelijk, zou ik zo zeggen.
Vier jaar te laat, acht jaar te laat –het doet er niet toe. Eindelijk.
En we weten allemaal waar het aan ligt.

* * *

Wie de Amerikaanse politiek volgt, weet dat Amerikanen een ander wereldbeeld hebben dan Europeanen. Religie en nationalisme, die in Europa nagenoeg uitgeroeid zijn als gevolg van hun excessen in de twintigste eeuw, zijn in het Amerikaanse Veldt nog springlevend. Sterker nog, beide karakteristieken vervlechten zich in het ultieme beeld dat Amerikanen van hun land hebben: Amerika’s Uitzonderlijkheid. Amerika is the greatest nation on earth, the shining city on the hill, the beacon of hope, en ’s werelds enige verdediger van vrijheid, vrede en het oh zo prille ideaal der democratie.

Een vraag die wij ons in Europa graag stellen is: Waarom is het dan dat Amerikanen de ondermaatsheid –niet de middelmaat, maar de regelrechte ondermaatsheid (zie de biografie van George W. Bush)– zo weten te smaken en zo driftig belonen? Zijn ze dom? Hebben ze dan geen greintje zelfrespect?
Wel, neen, zelfrespect te over. Verkiezingen, in doodgewone tijden, zijn een zoenoffer aan het altaar van de Amerikaanse Droom: Iedereen kan alles aan, en iedereen die dat echt wil, kan onze Leider zijn. Dus kiezen we de man die het meest op Jan Modaal lijkt, de man met wie je dat spreekwoordelijke biertje kan gaan drinken. Bovendien: Wat kan er in een ambtstermijn fout gaan, niet?

Ooit was intelligentie wel degelijk belangrijk in een president. Lees het werk van pakweg Thomas Jefferson, George Washington of James Madison, en huiver. Maar deze mensen werden ook werkelijk door een electoraal college verkozen, en niet rechtstreeks door het volk. Wie het volk wil bespelen, moet naast sympathiek ook begrijpbaar zijn; een populist mag niet over het hoofd van de massa heen spreken. Geloof het of niet, je kan berekenen welk intelligentieniveau ideaal is om de massa te bereiken zonder door de slimmeriken al te dom te worden bevonden, en dat is (zegt Dean Simonton van UC Davis) een IQ van 119, het niveau van de gemiddelde college student.

En dus verkiezen de Amerikanen, bijvoorbeeld, de minder dan middelmatige George W. Bush boven de veel te slimme Al Gore.
Er zijn uitzonderingen. Wanneer de natie wordt opgeschrikt door een gebeurtenis die de Uitzonderlijkheidstheorie tegenspreekt (een terroristische aanslag, bijvoorbeeld), dan raken we allemaal door het dolle heen en dan hijsen we vlaggen en roepen we om wraak en dan wordt iedereen erg bang en dan doen we gedwee onze schoenen uit in de luchthaven en dan luisteren we met bevend hart naar wat Vadertje Staat van ons verlangt want Vadertje Staat zal ons beschermen en dus stemmen we nog maar eens een keer voor de Hebbers van de Macht. Wat kan er tenslotte in een tweede ambtstermijn fout gaan, niet?

Wel. Dus. Oeps. Deze maand kregen we de kroon op het werk van acht jaar Bushonomics te zien, de desastreuze keten van rampzalige beslissingen van Bagdad via Bourbon Street tot Wall Street.

Waarom zagen we dat niet in 2004? Waarom vallen ons precies nu de schellen van de ogen?
Dit is de beste metafoor die ik kan verzinnen: ‘s mensen ego en de spiegel. Iedereen kijkt graag in de spiegel. Iedereen ziet zichzelf graag, en de spiegel is makkelijk te bedriegen; een vetrol hier of daar kan mentaal weggewerkt, een rimpel links of rechts verdoezeld. Maar er zijn grenzen. Op een dag helpt loensen niet meer. Op een dag kijk je je spiegelbeeld in de ogen en je zegt: My G*d, what have I done?

Zo ook met de natie.
De cataloog van Bush’ zonden is groot. Dat werd Amerikanen nog het duidelijkst toen New Orleans vijf meter onder water stond, het leger vijf dagen wachtte met ingrijpen, de president in geen velden en wegen te bespeuren viel (hij bakte een taart voor John McCains verjaardag), en de media eindelijk beslisten hun werk te doen: gewoon te tonen wat er gaande was. Het zicht van opgeblazen lijken drijvend door de straten van een Amerikaanse stad: was dat Dubbya’s idee van mededogend conservatisme?

Dus, tsja: een eeuwig aanslepende oorlog die duizenden Amerikanen het leven heeft gekost, een staatsschuld die hallucinant tegen het biljoen dollar aan staat te schurken, het opstarten van een afluisterprogramma dat de Stasi had doen blozen, een president die minder populair is dan Nixon –en dat allemaal terwijl de Republikeinen de absolute macht genoten. Niemand begreep beter dan de Republikeinen zelf dat dat hun zuur zou opbreken. De enige partijgenoot die nog een kans maakte op het presidentschap was de man die bekend stond als de maverick, de rebel, de einzelgänger –Ouwe Mopperkont Numero Uno: John McCain! (Never mind die verjaardagstaart.)

Arme McCain.
Eenmaal hij de nominatie binnen had, besloot hij wat politieke spelletjes te gaan spelen.
Schreef ik niet eerder ‘Dit land is op dit moment niet in de stemming voor politieke spelletjes’?

Arme McCain.
Een tijdlang ging het goed.
Zijn eerste gok leek aardig te gaan lukken: op de dag na Obama’s redelijk spectaculaire conventiespeech verschijnt Ouwe Mopperkont naast een mevrouw die jong, kwiek en inhoudsloos genoeg lijkt om zijn derde echtgenote te zijn. Zij is zijn kandidate voor het vice-presidentschap. De mevrouw is gouverneur van Alaska; zij weet precies hoe je een eland omlegt en van zijn ingewanden berooft. Ook jaagt zij op wolven, vanuit een helikopter.
Toen na een week of wat bleek dat je Sarah Palin het makkelijkste belachelijk maakt door een microfoon voor haar mond te schuiven, en dat haar bestuurservaring grotendeels metaforisch was, verschoof de adoratie eerst naar deernis en dan naar onverschillig ongeloof.

Arme McCain.
Dan maar een greep in de grabbelton van wilde leugens. Obama wil de belastingen verhogen; Obama heeft Palin voor varken uitgescholden; Obama wil vijfjarigen “alles” over seks leren; Obama is migrantonvriendelijk. Zelfs Karl Rove vond het allemaal een beetje vergezocht.

Arme McCain.
En dus besloot de man, twee dagen nadat hij de economie fundamenteel gezond had bevonden, dat het vooralsnog toch niet zo goed ging met Wall Street, en dat hij en hij alleen, hoewel zelfverklaard economisch ongeletterd, als reddende engel kon optreden. Door zijn campagne op te schorten. Door het debat uit te stellen. Door bliksemsnel naar Washington te vliegen. Door alle frivole televisieverschijningen af te zeggen. Behalve dan dat de campagne als vanouds liep, dat er nog wel een extra nacht in New York vanaf kon, dat hij bij Katie Couric op de bank ging zitten, en dat hij bij aankomst in Washington zero reddingsplan op zak bleek te hebben. (Geen wonder dat hij tijdens het debat Obama niet eens in de ogen durfde te kijken.)

In die wervelende dagen sputterde McCain overigens niet één, doch maar liefst twee spectaculaire uitbarstingen van ejaculatio praecox bij elkaar: Een banner ad op de website van de Washington Post die twaalf uur voor het debat triomfantelijk meldde dat McCain het debat gewonnen had, en een McCain die met opgeblazen borstkas de wereld kond deed van zijn cruciale rol in het voor elkaar krijgen van het reddingsplan voor Wall Street, zes uur voor de Kamer het plan pardoes van de tafel veegde. Misschien was McCains probleem wel dat geen van die captains of industry dacht: ‘Laat ik nu eens die Palin bellen, zij weet precies hoe je een eland vilt!’

Karl Marx had het bij het rechte eind toen hij stelde dat geschiedenis zich eerst herhaalt als tragedie en dan als farce.

* * *

Een maand is een eeuwigheid in de politiek, zeker in de Verenigde Staten van Amnesie.

Misschien zijn we het op 4 november allemaal vergeten. Dat onze spaarpot een stuk leger rinkelt. Dat Bush ons weer eens voor het blok heeft gezet. Dat we nu de facto leven in twee Amerika’s: de vrije markeconomie voor suckers zoals u en ik, en de Unie der Solidaristische Sovjet-Republikeinen voor de hoeders van het grootkapitaal. Misschien rennen de racisten massaal naar de stembus. Misschien.

Maar op dit moment, even, nu, ben ik hoopvol over mijn adoptieve vaderland. Misschien krijgen we volgend jaar wat we allemaal willen: de huid van Bin Laden, het herstel van de democratie, respect voor de mensenrechten, de burgerrechten weer in voege en een overeind getrokken, goedgereguleerde economie.

Als het verleden, zoals Shakespeare en Joe Biden het al stelden, de proloog is, dan is de toekomst wat we er zelf van schrijven.
Zouden ze het durven, die Amerikanen, denkt u? Durven ze dat?

Saturday, October 25, 2008

HA!

Ford Maddox Ford (as found in Julian Barnes' latest):
It's an easy job to say that an elephant, however good, is not a good warthog; for most criticism comes to that.
Double that: ha! ha!

Which reminds me of another favorite chestnut of literary criticism:
This book is not for everyone.
Because the only book that is for everyone is the Yellow Pages, and that has just been made obsolete by Google.

Friday, October 24, 2008

DE STANDAARD

En zie, toch laat ik mij dan weer verleiden tot interviews over dingen waar ik de ballen van af weet -- politiek, bijvoorbeeld.

Als alles goed gaat staat er een kort interview met uw hoovaardige dienaar in de Amerika-bijlage van De Standaard van het weekend van 1 november.

Tipje van de sluier: de volgende woorden komen allemaal in het interview voor: 'geklungel', 'het', 'de', 'Katrina', 'aardbeientaart', 'compassionate conservative', en 'protofascisme'.

Thursday, October 23, 2008

WRITERS ARE ASSCLOWNS, DANCING JUST FOR YOUR DELIGHT

So, in Belgium, we've got this 'Stichting Lezen' -- the Reading Foundation. You know, the things you do with books? (Apart from using them as garden stools which mine, by the way, serves excellently as.) Stichting Lezen: The things you do with books, they like them. They promote them even. Go read! they screech from the mountain, directing their yell in the general direction of the general populace.

In the general purpose of said promotional activities, they asked me for a short 'story' on the relationship between reader and writer, 2000 characters including spaces, to be included in a brochure, 68,000 copies of which are to be distributed in train stations and libraries. All on the occasion of a television show where they make writers speak.

They also wanted it, like, now. (Writers are bums, always just lazing around until a perfectly good opportunity -- just like this one! -- comes along.)

I offered them The Tiny Bones, in a Dutch translation.

Still one of the best pieces of flash fiction I've ever done, I feel.

They said no. Too much about writing, The Tiny Bones. Not about the relationship between writer and reader. Maybe, they suggested, I could write something about, you know, actually meeting a reader? Ooh! (Purell!) Maybe... an extremely enthusiastic or... critical or... weird or... disagreeable reader? Ooh again!

Dance, dear writer, dance! We like what you write, except that we don't!

I am too old for writing workshops. So I said no.

And they said maybe next time? Well, dear reader, I just dropped my pants and smiled.*

In the meantime, I'm working on a short essay for the Jewish Quarterly, on the necessity of historical fiction.

-------
*With a McCainian accent.

Tuesday, October 14, 2008

OMEGA MINOR FEATURED BOOK AT THE JEWISH BOOK WEEK WEBSITE

Screen shot from the Jewish Book Week website. (Needed to do a screen shot. This won't be up for long, I'm sure.)
Misspelling of my last name aside (my own tired joke of this is that, like everything else that went wrong in my life, my name's spelling is entirely my dad's fault), I am thrilled (and in awe of the writer's blurbing skills), and also, somehow, moved. Can't wait to get to London in March!


Wednesday, October 8, 2008

HUISHOUDELIJKE MEDEDELING

Reis naar Vlaanderen in het verschiet, waarbij de volgende openbare vertoningen zijn gepland:

- Lezing uit Omega Minor en zo nog wat, en Q&A, ergens in Koksijde (bib of cultureel centrum), op 3 november, 20.00;
- Prijsuitreiking van de 2006 (!) Prijs voor Letterkunde der Vlaamse Provincies, in gebouw van de Koninklijke Vlaamse Academie Taal- en Letterkunde, Gent, op 4 november, 20.00;
- Verschijning op Knack-dag van de Boekenbeurs, Anwerpen, op 7 november. Ik ben de plak hoofdkaas in het broodje ongeregeld waarvan Jos Geysels en Julian Barnes** de deeglappen uitmaken. (Geen idee wat ik daarmee bedoel, maar 't bekt. Lekker.) Ergens in de namiddag. Ach, kom, breng toch gewoon de hele dag op de Beurs door, waarom niet?

Ik blijk ook samen met XXXXXX XXXXXXX*** (nog zo'n XXXXXXX***) in dat nieuwe VRT/VPRO boekenprogramma te zitten. We tapen op 6 november.

In het kader van schrijvend hoereren omwille van de poen (en waar zou je 't anders voor doen?): Het novembernummer van MO* zou een behoorlijk slapeloze Verhaeghen-tekst over de Amerikaanse verkiezingen moeten bevatten.

Als u in het bezit bent van een perskaart en u wil mij dringend spreken: Meulenhoff|Manteau is uw team!


----
* Nope. Geen voetnoot. Ze heten echt MO*, met sterretje.
** Barnes schreef ooit een van de meer intrigerende zinnen uit de Britse literatuur: Lying in bed we tell the truth. Gaat de man zien!
*** Naam en informatie weggecensureerd op vraag van de organiserende organisatie.

Tuesday, October 7, 2008